Wanneer is iets goed genoeg?
Vroeger had ik thuis een vrij strak systeem.
Maandag dit. Dinsdag dat. De ramen streeploos. Eten op tijd. Alles op z’n plek.
En ik vond dat eigenlijk heel normaal. Ik dacht niet: kijk mij eens controle zoeken. Ik dacht gewoon: zo hoort het.
Als alles gedaan was, voelde het rustig. Dan klopte het.
Pas veel later zag ik dat het me vooral grip gaf.
Daar moest ik laatst aan denken toen ik buiten een plantenbak aan het schilderen was. Gewoon leuk maken. Beetje kleur erop. Beetje spelen. En op een gegeven moment denk ik: ja, klaar.
Niet perfect.
Wel goed.
Nog een extra kloddertje verf voegt dan gewoon niks meer toe.
Dat vind ik eigenlijk wel een fijne vraag:
voegt nóg meer echt iets toe?
Want soms moet iets gewoon technisch kloppen. Als ik een maatwerkpatroon maak, heb je te maken met een lichaam, materiaal, pasvorm en verwachtingen. Dan is precies werken geen geneuzel. Dan hoort het bij het vak.
Maar bij andere dingen kan ik juist denken: hou op met je geneuzel.
Een rood boekje hoeft voor mij niet tot op de millimeter perfect uitgelijnd te zijn als het geheel klopt. Het moet doen wat het moet doen. Het moet prettig lezen. Klaar.
Dat verschil zie ik ook vaak tijdens mijn lessen.
Een cursist heeft iets gemaakt. Technisch prima. Het leerdoel is gehaald. Maar toch wil ze het weer uithalen.
Nog een keer. Nog netter. Nog beter.
Soms zeg ik dan gewoon: stop maar.
Niet omdat ik vind dat ze genoegen moet nemen met half werk, maar omdat nóg een keer uithalen niets meer toevoegt aan het leren.
Dan denk ik: pak liever een doos oefenmateriaal en ga thuis van alles uitproberen. Daar leer je meer van.
Maar soms gebeurt er iets anders.
Dan lijkt iemand niet meer zozeer bezig met beter worden, maar vooral met willen horen: is dit goed? Echt goed? Weet je het zeker?
En dan wordt voor mij niet meer het stiksel interessant.
Dan wordt interessant waarom iemand zelf nog niet kan zeggen:
dit is goed genoeg.
Dat vind ik eigenlijk veel interessanter dan het woord perfectionisme.
Want perfectionisme klinkt zo netjes. Zo ambitieus. Zo verantwoord.
Maar soms kan het ook een keurige manier zijn om niet op je eigen oordeel te hoeven vertrouwen.
Zolang iets nog niet af is, hoef je ook nog niet te zeggen: dit heb ik gemaakt, dit is mijn keuze, hier sta ik voor.
Je kunt altijd nog iets veranderen. Nog even controleren. Nog een keer beginnen.
En misschien is dat soms precies wat er gebeurt.
Niet omdat je per se zo’n enorme perfectionist bent.
Maar omdat stoppen iets zichtbaar maakt.
Dat herken ik van mezelf vroeger met het huishouden.
Zolang alles volgens mijn systeem liep, voelde ik controle. Maar als de ramen niet gedaan waren, het eten later werd of dinsdag ineens niet volgens plan ging, werd niet alleen het huis wat minder strak.
Dan werd ík onrustiger.
En daar zit voor mij veel meer informatie in dan in het etiket perfectionistisch.
Misschien gaat het over grip. Misschien over bevestiging. Misschien over verantwoordelijkheid. Misschien gewoon over kwaliteit.
Kan allemaal.
Niet alles hoeft meteen een verborgen probleem te zijn.
Maar als je merkt dat verbeteren eigenlijk niets meer toevoegt en je tóch doorgaat, dan wordt de vraag voor mij anders.
Niet:
kan dit nog beter?
Maar:
wat maakt stoppen zo lastig?
Misschien wil je nog leren. Misschien wil je nog bevestiging. Misschien wil je kritiek voor zijn. Misschien stel je het moment uit waarop je zelf moet zeggen: dit is van mij en dit is genoeg.
En misschien verberg je helemaal niks.
Ook goed.
Maar soms vertelt dat ene moment waarop je niet kunt stoppen meer dan het etiket “perfectionistisch” ooit zal doen.
Voegt nóg meer echt iets toe?
En als het antwoord nee is:
wat maakt het dan zo moeilijk om te stoppen?
Ik ben benieuwd hoe dat bij jou werkt. Waar blijf jij soms langer aan sleutelen dan nodig is?
Cassandra